Naar hoofdinhoud

Bodem vaak nog zoet

Bodem vaak nog zoet

Bodem vaak nog zoet – maar beregenen met brak water vergroot zoutdruk snel

De bodem van landbouwpercelen in de Noordelijke Kleischil blijkt zoet. Er is vooral toename van zouten in de bodem wanneer er beregening plaatsvindt met zouter sloot-of grondwater. Dit blijkt uit onderzoek van SALTA op 14 locaties in Friesland en Groningen.

In 2024 en 2025 heeft SALTA, in opdracht van de provincie Groningen, de bodemverzilting op 14 landbouwlocaties in Friesland en Groningen onderzocht. Ondanks dat op veel plekken het slootwater en het ondiepe grondwater behoorlijk zout kan zijn (gemeten als EC, met waardes tussen de 4 en 10), bleef de bovengrond op de meeste percelen verrassend zoet. Opstijgend zout uit de diepere lagen lijkt op veel plekken minder snel tot problemen te leiden dan gedacht. In totaal zijn 114 bodemmonsters genomen, op drie tot vier dieptes per perceel. Een belangrijke kanttekening bij de resultaten is wel dat 2024 een uitzonderlijk nat jaar was, en de metingen in 2025 liepen tot maar tot begin juli, terwijl de piek van het neerslag tekort vaak later valt.

De grootste en snelste toename aan zouten zagen we na beregenen met brak water. Op twee locaties waar ±60 mm is beregend met water met een EC van 3,5–3,9, stegen natriumgehalten in de bovengrond duidelijk. Op één perceel liep natrium op van 95 naar 144 kg/ha en was in februari daarop nog niet gedaald; op het andere perceel daalde het na de winter wel, maar bleef relatief hoog. Uitspoeling in één winter is dus niet gegarandeerd. Dit wijst erop dat verzilting door beregening met brak water mogelijk een grotere rol kan spelen dan capillaire opstijging, zeker in droge jaren.

Wat betekent dit voor boeren?

  • Ken de EC van je beregeningsbron. Brak water (EC rond en boven de 3) kan de zoutvoorraad in de toplaag merkbaar verhogen. Meten vóór je start voorkomt verrassingen.
  • Weeg timing en gift af. Kleine giften op hete, droge dagen vergroten zoutopbouw aan het oppervlak; geef grotere giften ’s nachts of in de vroege ochtend (minder kans op bladverbranding, en zorg voor doorspoeling van de bovenste bodemlaag waar mogelijk).
  • Blijf bodems gericht monitoren. Meet niet alleen 0–30 cm, maar ook 30–60 en 60–90 cm; kijk indien mogelijk net onder drainniveau. Zo zie je tijdig trends van mogelijke zoutophoping en -beweging.

Wat betekent dit voor waterbeheerders?

  • Zet sterker in op informatie over waterkwaliteit (chloride én EC) in aanvoer- en peilgebieden, vooral tijdens droogte. Dat helpt telers om beter te sturen op herkomst en menging van beregeningswater.
  • Faciliteer monitoring in droge jaren. De meetreeks laat zien dat jaarkarakter (natte vs. droge zomer) veel uitmaakt; vervolgmetingen zijn cruciaal om risico’s goed te wegen.

Vervolg
SALTA heeft de ambitie om de monitoring voort te zetten en uit te breiden. Heb je zelf een perceel waar je verwacht dat verzilting een rol speelt? Neem dan contact op met SALTA (www.salta-cluster.com), dan kunnen we ervoor zorgen dat één van onze praktijkcoaches langskomt. Zo werken we aan een robuust beeld van zoutdruk in de praktijk, en kunnen praktische richtlijnen verder worden aangescherpt.